Graag gaan we in gesprek met nieuwe bestuursleden of directeuren van beroepsverenigingen, dus ook met Jacqueline van de NVDA (Nederlandse Vereniging van Doktersassistenten). In juni dit jaar spraken we haar, lees hier ons interview!
Je bent 1 februari begonnen in de rol van directeur. Hoe zijn de eerste maanden verlopen?
“Heel leuk! Ik kende de vereniging al een beetje, want ik heb hiervoor de ledenraad, gastlessen en het bestuur gedaan. Ik ken de vereniging dus al, al kende ik de mensen op kantoor nog niet heel goed, een enkeling daargelaten. Maar het is een warm bad waarin ik terecht ben gekomen. Ze waren blij dat ik kwam en dat we weer stappen konden nemen, want ze hebben driekwart jaar geen directeur hier gehad. Ze hebben het hartstikke goed gedaan en volgehouden, maar ze merken wel dat ze het fijn vinden om weer sturing te hebben en stappen te kunnen maken. Het is een warm bad en het is heel leuk. Ik vind het ontzettend interessant om te zien, ik wist wel wat we al voor de doktersassistenten deden vanuit mijn andere functies...”
Je hebt zelf ook 20 jaar lang gewerkt als doktersassistent...
“Nog steeds! Eén dag in de week werk ik in de praktijk. Dat vind ik heel belangrijk. Stel dat ik dat niet meer zou doen, dan weet ik ook niet wat er verandert in het werkveld. Daar kan ik dan niet op anticiperen en niet op sturen. Dus ik vind het juist heel belangrijk dat ik dat blijf doen. Daarnaast hou ik gewoon echt van mijn vak. Mijn hoofdvak is gewoon doktersassistent, niet directeur van de NVDA hoewel ik hier meer uren zit. Doktersassistent zit in mijn hart en daar wil ik het allerbeste voor regelen. Daarom doe ik nu dit. Ze moeten niet blij zijn als iemand tegen mij zegt dat ik niet meer in de praktijk moet werken."
Juist die combinatie maakt het zo mooi. Ik doe eerst nog even een stapje terug: je vertelde al dat je 20 jaar lang werkzaam bent als doktersassistent, maar je bent ook nog heel even zwemleraar geweest, toch? Dat zag ik op LinkedIn. Hoe ben je zo in het vak van doktersassistent gerold? Waar kwam die passie vandaan?
“Dat wist ik op de middelbare school eigenlijk al. Die opleiding heb ik op mijn 16e meteen gedaan, want ik dacht: dit is het. Daarnaast heb ik inderdaad zwemles gegeven; dat is gegroeid als bijbaantje en zij hebben mij die opleiding gegeven in de hoop dat ik er nog wat langer aan vast zou plakken. Maar het zorghart heeft gewonnen. Maar daarentegen: je hebt een opleiding en die heb je voor altijd. Toen mijn kinderen op zwemles gingen, dacht ik: ik ga niet niks doen, dus toen ben ik er weer mee opgestart. Nu zwemmen ze niet meer, dus ben ik er weer mee gestopt. Dat is ook gewoon omdat je het leuk vindt, maar mijn zorghart heeft daarin wel gewonnen.
Je hebt ook veel rollen gehad binnen de NVDA. Welke ervaringen uit die rollen neem je mee in je nieuwe functie als directeur?
“De gastlessen die ik heb gegeven vond ik destijds heel spannend om voor een groep te staan. Zwemles voor kindjes is natuurlijk totaal anders dan voor een groep staan met bijna- professionals. Die ervaring heeft mij geholpen om bepaalde dingen te durven in mijn functie als directeur. Daarnaast is de ledenraad een hele goede voorbereiding. Je leert echt naar de organisatie kijken. Je zit niet op de inhoud, maar je kijkt naar wat er speelt in de vereniging en wat er ieder jaar terugkomt. Als doktersassistent heb je eigenlijk niet zo'n idee van wat er in een vereniging leeft en hoe dat werkt met de begroting en jaarcijfers. Dat komt in die ledenraad voorbij. Daarnaast is het in de ledenraad meedenken en sparren over de toekomst van je beroep: welke kant moeten we op? Dat vond ik ontzettend interessant, om dingen eerder te weten dan de rest. Maar die ledenraad gaf mij ook het gevoel dat ik meer wilde. Daarom vond ik het ontzettend leuk om de stap naar het bestuur te maken. Die rol heeft me laten zien wat er binnen de vereniging speelt. Als ik het bestuur niet als tussenstap had gehad, weet ik niet of ik deze stap had kunnen nemen.”
Je noemde net al de zichtbaarheid van doktersassistenten als belangrijk speerpunt. Hoe wil je dat gaan aanpakken?
“Voor mij zijn er twee belangrijke dingen: kwaliteit en die zichtbaarheid inderdaad. Maar ook een stukje imago daarin. Als we heel plat kijken naar wat de patiënt nog steeds denkt van de doktersassistent, dan is dat—niet iedere patiënt hoor, maar de grote groep—toch nog steeds 'de vervelende secretaresse die de telefoon opneemt, zegt dat je twee paracetamols moet nemen en dat je over drie weken aan de beurt bent'. Dat is toch nog steeds het beeld dat het gros van de patiënten heeft van een doktersassistent. Dat is schadelijk, want we hebben ontzettend veel kennis in huis en we zijn gewoon professionele zorgmedewerkers die ertoe doen, opgeleid zijn en nascholing volgen om bij te blijven. Ik vind dat dat uitgedragen moet worden. Maar ook door de werkgevers: dat werkgevers zeggen dat dit doktersassistenten zijn en geen telefonistes. Doktersassistenten zijn er niet om je tegen te houden, ze zijn er om de juiste zorg op de juiste plek op de juiste tijd te krijgen. Daar zijn ze voor opgeleid. Het is aan ons als vereniging om goed zichtbaar te maken wat een doktersassistent doet. Dat zijn speerpunten en toekomstplannen die wij hebben om meer aan het imago te werken. Zichtbaarheid en het imago zijn erg belangrijk, en daarnaast vind ik het heel belangrijk om die kwaliteit goed kenbaar te maken. We hebben een kwaliteitsregister. We hebben geen titelbescherming, dus iedereen mag er in de basis komen zitten wat een kwetsbare situatie is. Wij staan echt voor de kwaliteit: je hebt je opleiding, wat betekent dat je een bepaald niveau hebt, en dat moet je bijhouden. Je bent niet klaar na je opleiding; het is levenslang ontwikkelen.”
Laatste vraag: veel doktersassistenten ervaren een hoge werkdruk. Welke concrete veranderingen zou je de komende jaren graag gerealiseerd zien om het werk aantrekkelijk te houden en te maken?
“Dat vind ik een hele lastige. Het is een vicieuze cirkel: we hebben nieuwe collega's nodig, maar die zijn er niet. Dus moeten we opleiden, maar we bieden geen stageplaatsen aan. Dat is ingewikkeld. Praktijken en doktersassistenten willen graag opleiden, maar er zijn een aantal dingen die niet goed lopen. Er is fysiek geen ruimte voor en er is geen plek meer. Er is geen tijd voor of je krijgt van de werkgever die tijd niet, dat laten we in het midden, maar er is geen tijd voor. Dat kan door werkdruk zijn of door beleid van de werkgever. Ook komt het er bovenop op je werk en is er geen financiële waardering voor. Dus dat is één: als je niet opleidt, krijg je geen nieuwe collega's. En daarnaast moeten we die nieuwe collega's behouden en dat kan alleen door het vak interessant te houden. Er zijn heel veel mogelijkheden als je kijkt naar het ontwikkelpad in de huisartsenzorg. Je kunt bijvoorbeeld doorstromen naar triagist, de SOH-opleiding doen, of uiteindelijk POH of praktijkmanagement. Het is maar net waar jouw passie ligt. Voor de één zijn dat medische handelingen en voor de ander administratie of triage.”





